Ontspullen: hoe ik stap voor stap minder spullen in huis krijg
Ik ben weer aan het ontspullen. Daar ben ik binnenkort al tien jaar mee bezig. En ondanks dat ik al ontzettend veel heb weggedaan, heb ik nog steeds veel te veel in huis en ben ik nog lang niet klaar.
Met een groot gezin schuiven er voortdurend spullen door het huis. Kinderen worden groter, interesses veranderen, een baby wordt ineens een peuter en ondertussen komt er ook steeds weer iets bij.
Vandaar dat we nu aan verjaardagsvisite vragen dat ze, als ze een cadeautje mee willen nemen, zich voornamelijk richten op speelgoed dat we al hebben, zodat we niet 01394329492 soorten speelgoed krijgen die allemaal speciale bakken moeten krijgen.
Vroeger dacht ik vooral dat we meer opbergruimte nodig hadden. Als er ergens geen plek meer voor was, was de oplossing eigenlijk altijd: een bak of kast erbij of een plank vrijmaken.
Maar daar zit natuurlijk een grens aan.
Op een gegeven moment kun je nog zoveel handige bakken en kasten kopen, maar als er te veel spullen zijn, blijf je vooral spullen aan het verplaatsen. Te veel ontspullen valt nou eenmaal niet écht te organiseren.
Daar ben ik nu al lange tijd klaar mee.
Ik probeer het daarom anders aan te pakken. Niet met een hele dag waarin ik alle kasten leegtrek en aan het eind van de middag een huis vol dozen en stapels heb waar ik vervolgens ook nog iets mee moet. Je kunt nog zo met een goede motivatie beginnen, maar die motivatie zakt op een gegeven moment in en je raakt gedemotiveerd als je een bed vol spullen hebt liggen. Dan ben je verder van huis.
Daarom ontspul ik sowieso gedurende de dag. Als ik in een willekeurige kamer iets zie dat weggegeven kan worden, stop ik het in een doneerbak die ik in de garage heb staan. Als ik zie dat iets weggegooid moet worden omdat het stuk is of iets dergelijks, dan gaat het linea recta de prullenbak of container in.
Daarnaast pak ik regelmatig een plank of een lade en kijk ik of er spullen zijn die weg kunnen. Ik haal alles eruit wat weg kan en organiseer wat achterblijft. Of ik geef het natuurlijk een hele andere functie.
Dat blijkt voor mij veel beter te werken. Ik kan prima een tijd ergens mee bezig zijn zonder dat het een enorm project wordt en kan elk moment stoppen als een baby begint te huilen of als ik kinderen moet ophalen van school.
Tijdens het ontspullen stel ik mezelf vragen
Ik merk dat ik tijdens het opruimen steeds dezelfde vragen aan mezelf stel.
Als ik dit vandaag in een winkel of op een rommelmarkt zou zien, zou ik het dan opnieuw kopen?
De versie van mij die het ooit heeft gekregen of heeft gekocht, is een andere versie dan die ik nu ben. Je hoeft niet vast te houden aan spullen als die nu niet meer bij je passen.
Maar het was een cadeau…
Spullen die ik van iemand heb gekregen, vind ik misschien wel het lastigst om weg te doen. Niet omdat ik ze nog mooi vind of gebruik, maar omdat iemand ze ooit speciaal voor míj heeft uitgezocht.
Ze heeft hier geld aan uitgegeven. Hij dacht aan mij. Het was zo lief bedoeld. Hoe kan ik dit dan zomaar wegdoen?
Ik las hierover iets van Gayle Goddard van The Clutter Fairy en dat hielp me om het anders te bekijken. Een cadeau is geen levenslange verplichting om het voor altijd te bewaren. Op het moment dat iemand het geeft, heb je het cadeau ontvangen. De gedachte erachter, het gebaar en het moment waarop je het kreeg, zijn niet ineens weg omdat het voorwerp later uit je huis verdwijnt.
Dat vond ik een fijne gedachte. Want ik hoef blijkbaar niet te kiezen tussen het bewaren van een spullen en het waarderen van de persoon die het gaf.
Ik kan dankbaar zijn voor het cadeau en het toch loslaten.
Soms helpt het om er eerst een foto van te maken. En als het kan, geef ik het liever door aan iemand die er wél blij mee is. Dan krijgt het misschien zelfs een tweede leven.
Misschien is dat wel een van de belangrijkste dingen die ik tijdens het opruimen leer: dankbaarheid en bewaren zijn niet hetzelfde.
Een cadeau hoeft niet mijn hele leven in mijn kast te staan om te bewijzen dat ik het ooit waardeerde.
Dat is precies wat ik nodig heb om sommige dingen los te laten. En eerlijk gezegd denk ik dat ik dit onderscheid steeds meer gebruik tijdens het opruimen.
Want ik wil uiteindelijk niet in een huis wonen waarin ieder voorwerp een verplichting is. Ik wil kunnen kijken naar de spullen om me heen en denken: dit hoort bij mijn leven van nu.
Ook als dat betekent dat sommige dingen die ooit met liefde aan mij zijn gegeven, daar niet meer bij horen. Want iets kan natuurlijk al jaren in je huis staan zonder dat je het vandaag nog zou uitzoeken.
Heb ik de ruimte?
Ik kijk ook naar de ruimte die iets inneemt.
Heb ik hier eigenlijk wel plek voor?
En als het antwoord nee is, wil ik dan een andere plek gaan zoeken? Is dat voorwerp het echt waard?
Stel je voor dat je vroeger in een groot huis woonde, maar je bent kleiner gaan wonen. Of dat je het huis met meer mensen bent gaan delen. Of juist dat de kinderen uit huis zijn gegaan. Dat zijn allemaal seizoenen in het leven waarin je meer of minder spullen kunt gebruiken of nodig hebt.
Alles wat in je huis staat, vraagt op de een of andere manier iets van je.
Je moet het ergens neerzetten. Je moet het schoonmaken. Soms moet je het onderhouden of repareren. Bij het opruimen moet je er weer een beslissing over nemen.
En vooral dat laatste vind ik interessant.
Over hoeveel dingen in mijn huis heb ik eigenlijk al meerdere keren opnieuw moeten beslissen?
Bewaren of wegdoen?
Waar zal ik dit laten?
Gebruik ik dit nog?
Misschien toch maar bewaren.
O ja, daar moet ik ook nog iets mee.
Als je dat vaak genoeg doet, ben je behoorlijk wat energie kwijt aan spullen waar je helemaal niet zoveel aan hebt.
Wanneer heb ik het voor het laatst gebruikt?
Die vraag helpt ook.
Wanneer heb ik dit echt gebruikt?
Niet wanneer ik het theoretisch zou kunnen gebruiken of wanneer het misschien ooit handig is. Wanneer heb ik het daadwerkelijk uit de kast gehaald?
Soms is het antwoord meerdere keren in de afgelopen maand en dan weet ik genoeg en blijft het object.
Soms moet ik behoorlijk lang nadenken. En dan weet ik meestal eigenlijk ook genoeg en gaat het in de container of doneerbak.
Ik probeer mezelf ook af te vragen of ik bereid ben om tijd en energie aan iets te besteden. Dat vind ik misschien nog wel belangrijker dan de vraag of iets “nuttig” is.
Want iets kan best nuttig zijn.
Maar als ik het al vijf jaar niet gebruik, geen ruimte voor heb of wil maken en ook helemaal geen zin heb om het te onderhouden, waarom zou het dan in mijn huis moeten blijven? Het kost dan alleen maar mentale energie.
Niet alles wat weggaat is afval
Ik vind het zonde om goede spullen zomaar weg te gooien. Als iets nog netjes en bruikbaar is, breng ik het daarom graag naar een weggeefkastje.
Daar probeer ik wel een beetje mee op te letten. Ik wil niet mijn eigen huis opruimen om vervolgens iemand anders met mijn rommel op te zadelen. En al helemaal niet nu we in onze containers per kilo en per leging moeten betalen.
“Misschien kan iemand dit nog gebruiken” is voor mij niet meer voldoende. Ik vraag me af of iemand dit echt zou willen hebben.
Is het schoon? Is het compleet? Is het nog handig? Zou ik het zelf meenemen als ik het in een weggeefkastje zag liggen? (Deze laatste met een knipoog natuurlijk, want anders zou ik het niet weggeven.)
Als het antwoord ja is, prima. Anders hoeft het niet per se naar een ander huis. Dat vind ik eigenlijk ook wel een onderdeel van ontspullen: niet alles hoeft een nieuwe eigenaar te krijgen.
Wat als er poep op zou zitten?
In één van de podcasts die ik luister tijdens huishoudelijk werk of ontspullen (ik weet alleen even niet meer welke) wordt soms gevraagd: als het object helemaal onder de ranzigheid zou zitten, zou je het dan nog de moeite waard vinden om het schoon te maken of gooi je het dan meteen in de container?
Ik denk dat het antwoord daarop ook een heleboel zegt over het object.
Ook met spullen van de kinderen moet ik soms oppassen
Met meerdere kinderen is het heel makkelijk om spullen te bewaren omdat er misschien nog een jonger kind iets aan heeft.
En soms is dat ook zo.
Maar soms staat iets al jaren ergens omdat ik mezelf ooit heb verteld dat het zonde zou zijn om het weg te doen.
Terwijl mijn kinderen er helemaal niet op zitten te wachten. De jongere kinderen hebben hun eigen spullen. Hun eigen interesses. Hun eigen speelgoed. Ik hoef dus niet alles te bewaren omdat iemand het ooit misschien leuk zou kunnen vinden. Mijn huis is geen opslagplaats voor toekomstige mogelijkheden. Waarschijnlijk is het product ook nog eens gigantisch makkelijk te vervangen, mocht ik het in het kleine geval dat ik het nodig heb toch echt, echt, echt nodig hebben.
Een grote valkuil van mij zijn kindertekeningen. Ik ben er hard mee bezig om die te ontspullen. Mijn kinderen zitten later echt niet te wachten op 10 verhuisdozen vol met hun kindertekeningen. Hoe mooi en bijzonder ik het ook vind, hoe lief ik het ook vind. Het zijn voornamelijk mijn herinneringen aan dat ze het hebben gemaakt of hebben meegenomen. En eraan vasthouden komt eigenlijk omdat ik het moeilijk vind dat die kindertijd zo ontzettend snel gaat. Ik probeer mij nu echt te focussen op hun mooiste creaties en zoek manieren om ze te bundelen.
Ook speelgoed dat naar de garage is verhuisd omdat er “even” niet meer mee gespeeld werd, ik dat ene ontbrekende stukje nog moest vinden of dat echt nog wel gelijmd kon worden… Je begrijpt het idee. Het kan weg.
Ik luister ondertussen naar podcasts
Tijdens het opruimen zet ik vaak een podcast aan.
Mijn favoriet is The Clutter Fairy uit Houston, Texas. Zij heeft zoveel ervaring met mensen die moeite hebben met opruimen en spullen wegdoen. Juist die verhalen uit de praktijk vind ik interessant. Je gaat daardoor anders kijken naar waarom iemand iets bewaart.
Sinds kort luister ik ook naar That Practical Mom Playbook. Daar herken ik me op sommige punten in. Ik vind haar manier van een podcast maken ook erg prettig.
Dat soort podcasts helpen mij vooral om tijdens het opruimen mijn gedachten erbij te houden en zijn voor mij een soort ontspanning. Daarom was ik een week na de bevalling alweer in de garage aan het ontspullen. Ik ben het inmiddels een heerlijke bezigheid gaan vinden.
Minder spullen geeft me rust
Dat is eigenlijk de belangrijkste reden dat ik hiermee doorga. Ik merk het aan mezelf als ik een ruimte binnenkom. Als er overal dingen staan, ben ik sneller onrustig. Niet omdat alles perfect opgeruimd moet zijn, maar omdat mijn ogen voortdurend iets nieuws zien.
Een stapeltje dat nog moet worden uitgezocht.
Een speelgoedbak die eigenlijk te vol zit.
Spullen op een kast waar ik al een tijdje iets mee wil.
Een doos waarvan ik weet dat ik hem eigenlijk eens moet uitzoeken.
Dat zijn allemaal kleine dingen, maar samen voelt het alsof er voortdurend van alles openstaat.
Dat is ook waarom ik vakantiehuisjes zo prettig vind. Want je komt binnen en er is vaak helemaal niet zoveel (en je hebt ook niet zoveel nodig).
Een tafel is leeg omdat hij leeg is. In een kast staan een paar dingen in plaats van alles wat er de afgelopen tien jaar in is verdwenen.
En ik merk dat mijn hoofd daar ook rustiger van wordt. Thuis zie ik daarna ineens weer hoeveel spullen we hebben. Dat is soms confronterend, maar ook motiverend.
Tijd
Tijd is kostbaar en is eenmalig. En vooral de kindertijd glipt als zand door mijn vingers. Hoe efficiënter ik mijn huis nu kan maken, hoe meer tijd ik kan spenderen met mijn kinderen, hoe minder vragen ik heb over een item en hoe minder taken ik moet doen. Ontspullen kost nu veel tijd, dus probeer ik het zoveel mogelijk te doen als de kids op bed liggen of als de kinderen op school zijn. Mijn huis is om te leven, maar ik wil niet geleefd worden door mijn huis. Mijn huis moet voor mij werken en niet andersom.
En wat gebeurt er als we er niet meer zouden zijn?
Wat gebeurt er met al onze spullen als wij er niet meer zijn?
Dat is niet bepaald een vrolijk onderwerp, maar ik vind het wel een goede reden om nu eens kritisch te kijken naar wat ik allemaal bewaar. Onze kinderen zouden op een dag niet alleen afscheid van ons moeten nemen. Ze zouden ook door ons huis moeten.
Door onze kasten.
Door dozen.
Door de garage.
Misschien door een zolder.
En dan zouden ze moeten bepalen wat belangrijk was en wat weg kan.
Ik vind die gedachte verschrikkelijk. Als je ouders overlijden, heb je al genoeg verdriet. Dan lijkt het me ontzettend zwaar als je vervolgens ook nog maanden bezig bent met het leeghalen van hun huis met spullen die niet echt van jou zijn geweest. Miljoenen beslissingen maken over die spullen, heel veel tijd eraan besteden en, als ik de podcast van The Clutter Fairy zo hoorde, zijn er ook veel kinderen die resentment hebben richting hun ouders als gevolg hiervan.
Ik krijg er helemaal een naar gevoel van als ik me voorstel dat er een bedrijf door onze spullen zou moeten gaan om te bepalen wat weg kan.
Natuurlijk mogen onze kinderen later dingen van ons bewaren.
Sterker nog, ik hoop dat er spullen zijn die ze graag willen hebben omdat ze er iets aan hebben.
Maar ik wil niet dat ze straks honderden dozen moeten doorspitten omdat ik tijdens mijn leven alles maar heb gehouden. Ik wil rust in mijn hoofd en voor mijn gezin. Schoonmaken en een huis bijhouden wordt makkelijker als je minder hebt staan.
Dat is voor mij inmiddels een behoorlijk sterke motivatie om af en toe iets los te laten.
Dus ik ga rustig verder
Ik heb geen einddatum voor dit project.
Vandaag een plank. Morgen een lade. Daarna dat ene kastje waar ik al maanden tegenaan kijk. Ik hoef en kan niet alles tegelijk te doen.
Als er iedere keer een paar dingen uitgaan die we niet gebruiken, die kapot zijn of waar we eigenlijk helemaal geen ruimte en aandacht meer voor willen vrijmaken, wordt het vanzelf minder.
En misschien is dat uiteindelijk wel het doel van dit hele proces: wellicht niet een perfect huis, maar een huis waarin de spullen die overblijven ook echt iets toevoegen aan ons leven.
Zodat we in ons ontspulde huis meer ruimte krijgen om te leven.
Links:
Podcast: